2

wij bewonen schamele vormen
wij articuleren in stoten

alleen in poëzie apen wij vogels na

in het nevelwoud vallen wij vreemd op
en willen alles wat we niet zien
(maar des te sterker vermoeden)
aanwijzen
wat heet lokken de brulaap
mijn bloes zeg je
overstemt de bloemenweelde
de gids buigt een tak uit de nevel
geen tak een tuin zegt hij
hij is zijn scherpe neus
weet exact op hoeveel meter afstand
de wildstand zich schuilhoudt
met de nadruk op biodiversiteit
hoor ik een rolex tikken
we stikken in de soorten
we knikken en vergeten te articuleren
hoor de brul
weet wat je niet ziet (zeldzaam)
waar geen hond bijkomt
over de rand van dit ravijn
(onze gencode te grabbel)
precies zo'n bloemetje

Rouw met diertjes